Wanneer werk nooit meer stopt
De manier waarop wij werken is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Met de komst van internet en voortdurende bereikbaarheid is er nauwelijks nog een natuurlijke onderbreking in de dag. Werk stopt niet wanneer de kantooruren voorbij zijn. Informatie blijft binnenstromen en reacties worden steeds sneller verwacht. Wat ooit begrensd was, is nu vrijwel continu.
In die ontwikkeling is er veel gevraagd van de mens. Niet alleen inhoudelijk, maar ook mentaal en emotioneel. De druk om flexibel te zijn en voortdurend te schakelen is langzaam opgebouwd. Sommige mensen kunnen spanning beter reguleren, anderen raken sneller overbelast. Dat verschil bestaat in ieder team, maar wordt zelden hardop benoemd.
Wanneer het zenuwstelsel langdurig onder spanning staat, verandert communicatie. Reacties worden korter, directer of juist ontwijkend. Wat bedoeld is als autonomie kan dan voelen als extra druk. Mensen trekken zich terug of gaan harder werken om controle te houden. Ondertussen groeit er afstand, terwijl de intentie vaak juist samenwerking is.
Wanneer autonomie verandert in druk
In mijn werk zie ik deze dynamiek regelmatig terug.
Een cliënt van mij werkte binnen een grote organisatie en droeg veel verantwoordelijkheid. Hij functioneerde vanuit een sterke vorm van autonomie en voelde zich verantwoordelijk voor het geheel. Daardoor werkte hij vaak dag en nacht door om alles draaiende te houden.
Wat ontbrak was erkenning. Zijn inzet werd nauwelijks gezien en de ruimte om vanuit volwassen autonomie te werken werd binnen het team niet altijd gewaardeerd. Binnen de samenwerking ontstonden subtiele tactische bewegingen waardoor zijn positie langzaam onder druk kwam te staan. Uiteindelijk leidde dit ertoe dat hij uit het team moest stappen.
Voor iemand met een sterk verantwoordelijkheidsgevoel kan zo’n situatie diep ingrijpen. Wanneer iemand langdurig zoveel verantwoordelijkheid draagt zonder dat het systeem dit werkelijk kan dragen, ontstaat er een enorme druk. Een mens kan lang doorgaan wanneer hij voortdurend aan staat, maar niet onbeperkt. Op een gegeven moment raakt het zenuwstelsel uitgeput en begint het lichaam signalen te geven.
De gevolgen daarvan blijven vaak nog lang voelbaar. Niet alleen mentaal, maar ook in het lichaam. Alertheid, spanning en wantrouwen kunnen blijven bestaan, zelfs wanneer iemand de organisatie al heeft verlaten.
In de sessies hebben we daarom niet alleen gewerkt aan inzicht, maar ook aan het reguleren van het zenuwstelsel. Stap voor stap leerde hij zijn lichaam weer tot rust te brengen. Tegelijkertijd ontstond er ruimte om emoties te verwerken die lange tijd waren weggedrukt. Wanneer ratio en emotie weer kunnen samenwerken, verdwijnt ook de onbestemde spanning die zich in het lichaam heeft opgebouwd.
Autonomie vraagt daarom meer dan vrijheid in structuur. Het vraagt het vermogen om stil te staan bij wat er intern gebeurt voordat het zichtbaar wordt in gedrag. Wie woorden kan geven aan spanning, onzekerheid of irritatie voorkomt dat die gevoelens onbewust hun weg vinden in relaties en besluitvorming.
Hier raakt het aan iets wat op de werkvloer nog weinig wordt herkend, namelijk alexithymie. Dit is geen stoornis, maar een persoonlijkheidskenmerk waarbij iemand moeite heeft om gevoelens te herkennen en te verwoorden. De spanning wordt wel gevoeld in het lichaam, maar er bestaat geen taal voor.
Autonomie vraagt innerlijke volwassenheid
In een tijd waarin communicatie steeds vaker digitaal verloopt en we steeds minder gevoelswoorden gebruiken, wordt dat verschil groter. Zonder woorden voor wat er intern gebeurt, blijft spanning circuleren in gedrag.
Wanneer leiders handelen vanuit innerlijke kracht in plaats van vanuit macht, ontstaat er een andere dynamiek. Teams voelen zich veiliger om verantwoordelijkheid te dragen zonder dat zij zichzelf verliezen. Verbinding en productiviteit groeien dan vanzelf.
In mijn trainingen werk ik met organisaties aan zenuwstelselregulatie en autonomie op de werkvloer. Niet therapeutisch, maar praktisch en toepasbaar. Leiders en teams leren herkennen wat er in hun lichaam gebeurt wanneer druk oploopt, hoe zij spanning kunnen reguleren en hoe zij een volwassen taal kunnen ontwikkelen voor wat er onder gedrag speelt.
Wanneer die laag zichtbaar wordt, verandert de dynamiek merkbaar. Autonomie wordt dan geen abstract begrip meer, maar een kwaliteit die gedragen wordt in samenwerking.
Als autonomie binnen een organisatie eerder spanning oproept dan ruimte, kan het waardevol zijn om niet alleen naar structuur te kijken, maar naar regulatie en emotionele taal.
Ik denk graag mee over hoe deze laag veilig en concreet ontwikkeld kan worden binnen jouw team.
Reactie plaatsen
Reacties