Met regelmaat hoorde ik van mensen die het goed met mij bedoelden dat ik te lief was of te veel weggaf. Lange tijd dacht ik dat dit gewoon bij mij hoorde. Pas veel later begon ik te begrijpen dat er iets anders gebeurde. Ik gaf niet alleen veel, ik ging overcompenseren omdat ik eigenlijk niet goed wist wat mijn eigen plek was, en dat merkte ik uiteindelijk het duidelijkst op mijn werk.
Want je plek innemen op het werk begint zelden bij het woord nee. Het begint veel eerder.
Onlangs overleed mijn moeder en tijdens mijn rouw werd iets zichtbaar wat ik 55 jaar lang niet zo helder had kunnen zien. Ik was het vierde kind in ons gezin, maar stond eigenlijk zelden werkelijk op die plek. Ik schoof steeds ergens anders naartoe, nam iets op me, maakte mezelf nodig en hoopte daar gezien te worden.
En ineens begreep ik ook iets anders. Die beweging was niet thuisgebleven.
Ik had haar meegenomen naar mijn werk.
Je neemt oude patronen mee naar de werkvloer
Je plek innemen. We horen het steeds vaker, ook op de werkvloer. Neem je rol, spreek je uit, bewaak je grenzen en ga staan voor wat je vindt. Alsof we op maandagochtend kunnen besluiten dat we dat vanaf vandaag gewoon anders gaan doen.
Maar zo eenvoudig werkt het meestal niet.
Ik zie bij mensen die ik begeleid hoe gemakkelijk oude bewegingen ook op het werk zichtbaar worden. Eigenlijk is dat niet zo vreemd. We laten bij binnenkomst op kantoor niet achter wie we thuis zijn. De manier waarop we hebben geleerd om met spanning, verantwoordelijkheid en de verwachtingen van anderen om te gaan, reist gewoon met ons mee.
Misschien ben jij degene die altijd even bijspringt. Niet omdat iemand dat van je verlangt, maar omdat je al ziet wat er nodig is voordat een ander het vraagt. Je neemt iets over, denkt vooruit en voorkomt dat dingen misgaan. Voor een organisatie kan zo iemand ontzettend waardevol zijn, terwijl het voor jezelf ondertussen steeds zwaarder wordt.
Dat herkende ik bij mezelf. Ik kon ontzettend veel geven, regelen en dragen. Daar kreeg ik ook waardering voor. Alleen zag ik pas veel later de vreemde tegenstelling die daarin was ontstaan.
Door mezelf onmisbaar te maken voor anderen, was ik steeds onzichtbaarder geworden voor mezelf. Ik wist vaak eerder wat een ander nodig had dan wat ikzelf nodig had, en zo werd het steeds gewoner om mijn eigen behoefte over te slaan zonder dat ik dat zelf in de gaten had.
En precies dat maakt deze beweging zo lastig om te herkennen. Ze voelt lange tijd helemaal niet als een probleem. Je bent betrokken, loyaal, behulpzaam en mensen kunnen op je bouwen. Eigenschappen die we op het werk juist waarderen. Ondertussen kan het gevoel nodig te zijn ongemerkt een bevestiging van je eigen waarde worden, waardoor nee zeggen steeds ingewikkelder wordt.
Het kan ook een heel andere beweging zijn. Misschien merk je tijdens een vergadering dat iets niet klopt, maar stel je die ene vraag toch niet. Je voelt spanning rondom een verandering en houdt je liever even stil. Niet omdat je niets te zeggen hebt, maar omdat rust bewaren veiliger kan voelen dan iets in beweging brengen.
Van buitenaf kan dat allemaal heel professioneel ogen. De behulpzame collega, de loyale medewerker of de manager die de rust bewaart. Misschien word je daar zelfs om gewaardeerd.
Maar waar ben jij ondertussen gebleven?
Grenzen stellen begint voordat je nee zegt
Dat vind ik een veel interessantere vraag dan of iemand voldoende grenzen kan stellen.
Want een grens begint niet pas wanneer je het woord nee uitspreekt. Vaak heeft je lichaam veel eerder iets laten merken. Je wordt moe, voelt irritatie of merkt dat je ademhaling verandert. Soms heb je daar helemaal geen woorden voor en ga je gewoon door, omdat doorgaan nu eenmaal vertrouwd voelt.
Juist daar kunnen we onze eigen plek ongemerkt verlaten.
Je plek innemen op het werk betekent voor mij daarom niet dat je harder moet worden of vaker met je vuist op tafel moet slaan. Het kan juist betekenen dat je even niets doet. Dat je het probleem van een collega niet onmiddellijk overneemt, niet automatisch ja zegt op die extra taak of een stilte tijdens een gesprek laat bestaan zonder hem meteen voor iedereen comfortabel te maken.
Wanneer je jarenlang degene bent geweest die oplost, zorgt, opvangt of de rust bewaart, kan het behoorlijk onwennig voelen om daarmee te stoppen. Het voelt misschien niet meteen als goed voor jezelf zorgen, maar eerder alsof je tekortschiet.
Dat herken ik inmiddels zelf maar al te goed.
Misschien zit daar wel de werkelijke oefening in je plek innemen. Niet leren hoe je een andere plek verovert, maar leren herkennen wanneer je de plek die al van jou was ongemerkt verlaat.
Hoe herken je dat je jouw eigen plek verlaat?
Ik leg mijn cliënten weleens uit dat je het kunt vergelijken met de beste plek in een bioscoop. Alleen jij mag op die plek zitten. Je hebt er het beste zicht, het beste geluid en je zit er comfortabel.
Toch verlaat je die plek soms ongemerkt. Wanneer je zicht minder wordt, het geluid doffer klinkt of je niet meer lekker zit, weet je dat je van je plek begint af te schuiven. Je lichaam merkt dat vaak eerder op dan je hoofd.
En misschien begint grenzen stellen daarom niet bij de vraag hoe je beter nee kunt zeggen.
Misschien begint het veel eerder, bij het signaal dat je lichaam al geeft voordat je hoofd doorheeft dat je aan het schuiven bent.
Dat signaal is precies waar ik binnen de Menselijke APK naar kijk. Niet alleen naar wat iemand doet of waar iemand uiteindelijk vastloopt, maar juist naar de signalen die vaak al veel eerder aanwezig waren. Want wanneer je die leert herkennen, hoef je niet te wachten tot je lichaam of je werk je uiteindelijk dwingt om stil te staan.
Reactie plaatsen
Reacties